
Als kind maakte het prominent in de woonkamer aanwezige portret van haar in Auschwitz omgekomen grootmoeder grote indruk op Hella. Lientje was haar naam. Voor Hella was zij een raadsel. Door de jaren heen zelfs van mythische omvang. Dit portret vormt het uitgangspunt voor een gevarieerde collectie schilderijen die eindigt in de wereld zoals die nu op ons afkomt. Afgewisseld met een selectie uit eerder gemaakt werk van keramiek en brons.
Het getoonde schilderwerk speelt een centrale rol in de documentaire "Het Atelier, portret van Hella" (2023) waarin Freek de Jonge de werkwijze van zijn vrouw heeft vastgelegd. In korte tijd maakte zij zich een taal eigen door donkere onderwerpen, haar familiegeschiedenis, dromen en herinneringen met lichte en felle kleuren te schilderen. Een taal die verrast door zijn directheid en met een zeggingskracht die overrompelt.
Hella de Jonge (21-4-1949), een veelzijdig kunstenares, heeft haar werk op verschillende manieren onder de aandacht gebracht. Na 54 jaar edelsmeden, beeldhouwen, vioolspelen, kostuums maken, decors bouwen, films regisseren en boeken schrijven, is dit de eerste expositie van haar schilderwerk.
Op mijn vijftiende weigerde ik het voedsel dat mij voorgeschoteld werd op te eten. Mijn hersens konden de ruzies in ons gezin niet langer verdragen. Ik trok me op de bovenste verdieping in mijn kamer terug en deed niets anders dan met gekleurde viltstiften stippen zetten op Chinese lampen.
Grote papieren bollen bij elkaar gehouden door cirkels van metaaldraad. Secuur zette ik puntjes op het rijstpapier. Drukte ik te hard, ging de stift dwars door het papier en kon de lamp bij het vuilnis.
De snijdende spanning woedde beneden door. Ik begreep er niets van. Het verstikte mij, maar ik had het geluk me in mijn eigen pointillisme te kunnen verstoppen. Het voelde als dansen in mijn hoofd.
Door te blijven tekenen wist ik deze ingewikkelde periode te doorstaan. Het niet eten had me van een vrolijk jong meisje tot een uitgemergeld concentratiekamppersoon gemaakt. Mijn ouders werden radeloos me zo te zien wegkwijnen. Ze benadrukten telkens hoe al onze oma’s, opa’s, tantes en ooms uitgehongerd gestorven waren tijdens de oorlog. Hoe durfde ik me in vredestijd zo te gedragen?
In zijn wanhoop sloeg mijn vader me met mijn hoofd tegen de verwarming, waardoor ik me nog verder terugtrok in mijn stippenzetterij. Zo verregaand dat er nog twee opties overbleven: wil je dood of wil je leven? Het vrolijke meisje in mij koos voor het leven. Hapje voor hapje kwam ik weer onder de mensen. Potlood en pen werden mijn vrienden. Ik tekende ons huis, mijn kamer, ging naar Artis om dieren te schetsen en maakte zelfportretten.
Op mijn zeventiende werd ik gesommeerd het ouderlijk huis te verlaten. Nu ik weer at kon ik voor mezelf zorgen vonden mijn ouders. Ik besloot toelatingsexamen aan de Rietveld Academie te doen. Dankzij de goed gevulde tekenmap werd ik aangenomen. Tijdens een les moesten we ons werk ter beoordeling aan de wand ophangen. Ik had mijn speelgoedbeer geschilderd. Hij werd afgekraakt door mijn klasgenoten. De leraar keek zwijgend toe. Hierdoor durfde ik de kwast niet meer aan te raken en liet deze passie varen.
Na vierenvijftig jaar edelsmeden, boetseren, beeldhouwen, vioolspelen, kostuums maken, decors bouwen, lichtplannen ontwerpen, films regisseren en boeken schrijven, belandde het penseel mede dankzij corona weer in mijn hand - om oude en nieuwe verhalen opnieuw vorm te geven.